| CARVIEW |
“Oh, leuk! Een Minion!”
Maar eigenlijk is er helemaal geen Minion. De Minion die je ziet, is het gevolg van een denkfout: je ziet een Minion maar eigenlijk is die er niet. Je brein maakt alleen hypersnel een verband tussen de details die er wel zijn, filtert de details in een mum van tijd weg en toont je een aanvaardbaar, herkenbaar geheel. Een Minion.
Deze denkfout noemt men “centrale coherentie”. Het is een denkfout die ervoor zorgt dat je dingen ziet (of waarneemt) die er niet zijn. Bijna alle mensen maken deze denkfout non stop, bij alles wat ze in zich opnemen. We hoeven ons er ook niet voor te schamen, want centrale coherentie is een manier van ons brein om ons te beschermen tegen een overdaad aan prikkels en indrukken. Een manier om zonder koppijn de dag door te komen, zeg maar.
Mensen met autisme hebben “problemen met centrale coherentie”. Hun probleem is dus eigenlijk dat hun brein geen denkfout maakt, maar net heel precies verwerkt wat er binnenkomt. Hun brein werkt dus eigenlijk te goed, ironisch genoeg.
En nu concreet:
Als je brein zich perfect de denkfout die men centrale coherentie noemt, eigen gemaakt heeft, zie je een Minion die lacht en zijn duim omhoog steekt. (Beschrijving inclusief details.)
Iemand die problemen heeft met centrale coherentie, ziet 39 gele bolletjes met een oranje rand en 2 ovalen stippen in de bovenste helft van de bolletjes, twee witte bolletjes met een grijze rand en een horizontaal streepje in het rechtse deel en een verticaal streepje in het onderste deel van het bolletje, twee witte bolletjes met een grijze rand en een horizontaal streepje in het linkse deel en een verticaal streepje in het onderste deel van het bolletje, twee witte bolletjes met een grijze rand en een verticaal streepje in het bovenste deel en een schuin streepje in het kwartaal rechtsonder van het bolletje, 6 dikke horizontale zwarte strepen, twee zwarte bollen met een witte bol in met een 8 in, met een witte vlek in de zwarte bol en een grijze streep onder de zwarte bol, 1 V-tje, 31 blauwe bollen met een donkerblauwe rand, waarvan het bovenste derde een lichtere kleur heeft dan de rest van de bol, 1 hand met een duim omhoog, 1 hand met een wijzende wijsvinger, 1 werksleutel en twee schoenen met een grijs streepje onder. (Vereenvoudigde beschrijving.)
Toch handig, die centrale coherentie:
- Het brengt eenvoud en dus rust. Je ziet 1 Minion, that’s it.
- Ook de betekenisverlening gaat gemakkelijker. Het is een Minion, simpel. Zelfs als je de Minions niet kent, zie je al snel een mannetje met een blauwe overall aan. Stel je nu eens voor dat je geen Minion of mannetje ziet. Je kan je hoofd wel breken om een logica en een betekenis te vinden in de opeenvolging van die verschillende bolletjes.
- Door de eenvoud en de duidelijke betekenis valt de Minion ook veel gemakkelijker te onthouden of na te tekenen, of te herkennen nadien. Of stel dat je een gelijkaardige prent ziet morgen maar met een sip mondje in de plaats van een lachend, dan is de link tussen beide afbeeldingen snel gelegd. Niet zonder centrale coherentie, waarbij je een totaal andere tekening krijgt als het V-tje ontbreekt en er plots een ^ bijgekomen is.
Al moe? Na 1 simpele Minion? Kijk dan eens zonder centrale coherentie naar een huis, een voetpad, vuurwerk, een auto, een toilet, een mens, een klok, …
]]>
]]>
]]>de spanning was te hoog
De oude man had dat beestje
al een tijdje in het oog.
.
De cocon begon te beven
en daar was dan de spruit!
Wat een spanning op dat tootje
de vlinder wou eruit!
.
Plots stokte het gebeuren
De tijd leek stil te staan
Hoe hard de vlinder sleurde
De cocon ging er niet aan.
.
De man dacht “ik moet helpen”
en holde om een schaar
hij bevrijdde trots de vlinder
in één vlot gebaar.
.
Maar daar lag dan het beestje
gezwollen op de grond
haar opgedroogde vleugels
fladderden in het rond.
.
De vlinder dood, een les geleerd
al was het met een traan
soms mag het in het leven
niet al te makkelijk gaan.
.
.
Ik vroeg om kracht,
maar ik kreeg moeilijkheden die me sterk maakten.
.
Ik vroeg om wijsheid,
maar ik kreeg problemen om op te lossen.
.
Ik vroeg om moed,
maar ik kreeg gevaren die ik kon overwinnen.
.
Ik vroeg om liefde,
maar ik kreeg mensen die ik kon helpen.
.
Ik kreeg niets wat ik wilde,
maar ik ontving alles wat ik nodig had.
]]>
Gedicht uit de bundel “Ze smacht en ze krijst, de liefde” van Sarah K.
]]>En terecht, want een maatschappij die werkelijk sociaal wil zijn, moet werk maken van toegankelijke sociale diensten.
Een RVA die met documenten smijt waar ze nooit eerder over gepiept hebben, in een ondoorzichtige, niet van deze tijd zijnde (quasi-juridische maar bij nader inzicht vooral foute) taal, is geen toegankelijke sociale dienst. Dat is een dienst die ongelijkheid in de hand werkt.
Want zeg nu zelf, als zelfs ik al met de handen in het haar zit, iemand met een hoge begaafdheid, een uitgebreid sociaal (ondersteunings)netwerk, en een geldreserve waar het versturen van enkele aangetekende brieven te veel er in principe wel af kan… Dan is de algemene toegankelijkheid toch ver te zoeken?
Hoe sociaal is onze maatschappij dan nog? Naar wie gaat ons belastinggeld dan echt?
Ik ben benieuwd of we hier de komende kiescampagne een antwoord op zullen krijgen. Or should I just go to Narnia?

]]>Dit is ook de mening die in onderstaande haatbrief naar voren komt, geschreven over een jongen met autisme. Het maakt me woedend als ik deze brief lees, omdat ik uit mijn ervaringen met mensen met ASS en een bijkomende verstandelijke beperking, en ruimer, met mensen met een mentale beperking in het algemeen, geleerd heb dat deze mensen deze wereld net heel veel te bieden hebben.
In onze maatschappij draait het steeds om hetzelfde: geld, macht, presteren. Als je tien uur per dag werkt omdat je een verantwoordelijke functie bekleedt bij één of andere multinational, dan ben je meer waard, meer bewonderenswaardig dan als je elke dag vier uur een secretaressejob uitvoert en daarnaast nog enkele uren vrijwillig in het asielcentrum gaat werken. Of van het leven geniet.
Ons leven gaat voorbij, maar we zijn gelukkig want we presteren.
En dan komen zij. Nee, zij zullen misschien nooit kunnen “presteren”. En ja, zij zijn een storende factor voor de mensen die dat wel willen doen. Want ze maken te veel lawaai, of ze zijn een te grote last. Ze houden ons op.
Of je kan de tijd nemen, je laten ophouden en genieten van de glimlach op hun gezicht. Je kan iets leren van hun capaciteit om zichzelf te zijn, van hun vaak speciale band met de natuur. Je kan hen de hand reiken en je leven laten verrijken door hun leefwereld ook tot de jouwe te maken.
Maak jezelf geen illusies: je leven gaat nog steeds voorbij. Maar misschien zal je, voor het voorbij is, geleerd hebben om te leven.
]]>
Hij was al in geen tijden meer van zijn tak gekomen. Hij zat daar goed, op zijn tak. Zijn vrienden wisten steeds waar hij was, hij hoefde nooit eenzaam te zijn. Honger had hij nooit want er groeiden appels aan zijn boom. En dat briesje dat altijd net op zijn tak een windhoosje werd, tjah, dat nam hij er maar bij. Het was overal wel wat.
Vanop zijn tak keek hij naar beneden. Hij zag roofdieren loensen op een lekker brokje, maar hij zat veilig, hij wel. Vanop zijn tak keek hij naar boven. Mooie vogels passeerden vrolijk kwetterend ver boven zijn hoofd, hun vleugels leken de wolken wel te raken. Wat zou het leuk zijn om ook nog eens naar de wolken te vliegen, mijmerde hij dan soms.
Maar nee, hij zat veilig op zijn tak, en daar zat hij goed. Hij wist dat straks zijn vriend langskwam, en morgen zouden de wandelaars passeren. Binnen enkele weken zou het koud worden, maar dat was even op de tanden bijten. Het is overal wel wat.
Hij knikte en nam een comfortabele houding aan. Hij had niets te vrezen, hij niet.
Het was op die tak dat hij stierf.
]]>Een meisje van zeven wordt acht, wordt negen. Een meisje van negen huilt. Elke avond in haar bed. Nog steeds gelach, gehoon, gegiechel en gegniffel. Al lang niet onschuldig meer. Nog steeds niemand die zich geroepen voelt om haar te beschermen. Enkel haar knuffelbeer, ’s avonds in haar bed. Die vangt haar tranen op. Het meisje van tien mag eindelijk naar een nieuwe school. Nu lacht zij eens. Voor één dag. Het meisje van tien is mensenschuw geworden. Onzeker. Bang. Een onschuldig welkomstgrapje wordt niet goed ontvangen. De nieuwe klasgenootjes verstoppen haar boekentas in de struiken. Het meisje van tien krimpt in elkaar. Gelach, onschuldig. Nu nog. Het gelach wordt erger, schuldiger en meer. Alweer is er niemand om haar te beschermen. Om haar een vriendelijke lach toe te werpen. Er is alleen haar knuffelbeer. Volledig versleten. Het meisje wordt twaalf. Haar mama vindt de knuffelbeer nu toch echt wel niet meer kunnen. De vuilniskar rijdt weg. Het meisje huilt. Helemaal niemand meer.
Het meisje wordt een vrouw. De vrouw wordt dertig. Nog steeds is er niemand. Niemand om haar een gelukkige verjaardag te wensen. Niemand. Behalve haar moeder, met de duidelijke bijbedoeling haar nu eindelijk eens het huis uit te werken. Het gelach is verminderd. Het is vervangen door gefluister. De vrouw is onzeker. Ze ziet er niet uit. Elke dag werkt ze haar acht uren aan de band in een kartonnagefabriek, elke dag keert ze alleen naar huis terug. Niemand antwoordt op haar zachte gemompel: “goedenavond”. Bij het weg gaan, hoort ze gefluister. Af en toe toch nog gelach. Thuis leunt de vrouw achteruit in haar sofa. Ze grijpt haar pillendoosje en slikt van elke soort een pilletje. En van één soort twee. Enkel de psychiater is er voor haar. Twee keer in de maand, exact een uur.
De vrouw wordt geen 35. Op haar begrafenis enkel een paar familieleden en een oud mannetje dat toevallig naar de mis wilde. Aan de koffietafel gelach. Spontaan gelach. Op haar graf: niets.
]]>