| CARVIEW |
Belevenissen van echt bijzondere aard zijn er ook al niet te melden, of het moet zijn dat ik het met u wil hebben over die voetstap van mij in de pas gegoten epoxyvloer van de buren of de hernieuwde passie van mijn leerlingen voor lego.
Nu we 2013 achter ons laten vind ik dat ik even moet terugkijken. Ik hecht minder en minder aan deze feestdagen maar van een jaareinde gebruik maken om eens terug te blikken, is zinvol, vind ik. Al is het alleen maar omdat ik dat graag eens terug lees en ik daar vorig jaar wel iets aan gehad heb, die reflectie. Het stuk dat ik vorig jaar schreef bevat voor mij veel principes die nog steeds gelden.
In 2013 was de bijzonderste gebeurtenis de geboorte van mijn neefje Charlie Joe, wiens bestaan voortdurend wonderbaarlijke indrukken oplevert. Ik ben fan. Ik geniet er ook van te zien hoe hij de rest van de familie inpalmt met zijn sprekende blik en fanatiek gewiebel in het zitje.
Bijzonder was ook dat ik een driejarige opleiding afsloot en nu dus een extra attest in handen heb dat me weer een stukje deskundiger maakt als ik het over Frreinetonderwijs heb. Het was een intensieve periode met een groep gepassioneerde en hardwerkende mensen.
Ik bezocht voor het eerst Berlijn en dat was een heel deugddoende en genietbare ervaring. Niet alleen omwille van deze sfeervolle stad zelf, ook omdat dit door omstandigheden een reisje vol luxe en voordelen was. Ik genoot er ook van het fietsen trouwens.
Film was nog meer dan anders aanwezig in mijn bestaan. Ik verbrak mijn record uit 2006 en zag 261 films. Dat klinkt haast ongezond – meer hoeven het er echt niet te worden op één jaar – maar ik verdiep ook wat dat betreft mijn kennis, in dit geval voornamelijk over oude films. Daarnaast kan ik me nu eenmaal een grote portie escapisme permitteren en komt er nog lang geen sleet op mijn drang om in fictie weg te duiken.
En dan was er DOK natuurlijk, misschien wel de gebeurtenis die dit jaar voor mij kenmerkt. Omdat we na twee heel fijne jaren tot een nog meer gesmeerd lopend geheel kwamen, omdat ik er genoot van een ander soort hard werken dan in mijn echte job, omdat die bonte bende vrijwilligers op een aparte manier een soort familie werden. Het voorlopige punt dat we er achter gezet hebben, was ook een reden om terug te kijken op wat die drie jaar met mij gedaan hebben en ik moest warempel vaststellen dat ik echt wel wat geleerd heb. Los daarvan was er nu en dan ook wel eens een ergernis.
Deze hoogtepunten staan ogenschijnlijk veraf van meer filmische climaxen. Ik heb geen vioolconcert gegeven, leerde niet skateboarden, maakte geen reis naar Fijit of adopteerde geen Afrikaans weesje noch een parkiet die Russische wijsjes fluit. Maar ik hoef niemand te overtroeven natuurlijk. Ik kijk wat dat betreft als mens met bescheiden verwachtingen, tevreden terug op het vorige jaar.
Ik blijf mijn werk zeer graag doen, ook al blijft lesgeven een job die best uitputtend kan zijn, vooral psychisch en emotioneel dan. Er is wat weinig plaats of wat te veel kinderen, er is geen budget en te veel administratie, maar die leerprocessen begeleiden is wel immens boeiend. Kinderen zijn in veel gevallen echt interessant en zorgen voor veel lol. Een bosklas is en blijft een prachtervaring. En zelfs na al die jaren in juni die zesdeklassers op de wereld los laten in de hoop dat het hen goed gaat, blijft wat doen met een mens.
Mijn gezondheid is al evenzeer stabiel gebleven, ook dat is van belang. Ik nam afscheid van een tand en dat is zo’n triviaal feit dat het eigenlijk het vermelden niet waard is. Ik was vrijwel niet ziek en weeg nog steeds evenveel als een jaar geleden. Maar qua beweging heb ik minder inspanningen geleverd dan de jaren ervoor.
Ook de meeste mensen rondom mij stelden het goed. Mijn familie is nog steeds in optima forma, mijn drie nog in leven zijnde grootouders zijn intussen echt wel oud maar kerngezond, ieder stelt het wel op nu en dan een akkefietje of een zorg na, die echter in het niets vallen bij de drama’s die andere Aardbewoners meemaken.
De groep mensen om me heen bij wie ik me goed voel, is intact gebleven al blijft het soms zoeken naar een evenwicht. Niet iedereen kan dezelfde portie Sven aan maar met de mensen die het wel kunnen, is de band verstevigd, heb ik de indruk. Ik blijf wel eens sukkelen met de tekortkomingen van anderen maar anderzijds ben ik minder scherp en blijft het allemaal minder lang hangen. Als ik dit jaar als eens piekerde of kniesoorde, had het meestal te maken met mijn positie tegenover de mensen die ik graag heb. Ik hoop dat de juiste mensen weten dat ze belangrijk voor me zijn, de Vliegeraars, de Filmfreaks, de Dokwerkers, de Haaltenaren, de Onderwijsgekken. Ze zijn met velen en krijgen niet allemaal even aandacht maar ze tellen allemaal nog mee voor mij. Ook als hun gezinsuitbreidingen niet meer opgenomen worden in mijn Gepamper-rubriek. Ik kon niet meer volgen, eerlijk gezegd.
Eén van de droevigste gebeurtenissen van 2013 was het dodelijke bergongeval van Kevin, een goedhartige 26-jarige van wie ik een dikke tien jaar geleden leiding was in de jeugdbeweging. Het blijft nu nog, zes maand later, onbevattelijk dat iemand zo plots en veel te vroeg uit het leven van zijn dierbaren verdwijnt. Ik had hoogstens nog eens een vluchtig contact met Kevin in het laatste decennium, maar zijn dood heeft me aangegrepen.
Eveneens bijzonder treffend was de dood van mijn buurman, nadat die enkele dagen vermist was. Geen emotionele maar wel een indrukwekkende gebeurtenis die me vooral liet nadenken over de mate waarin we er in onze maatschappij voor anderen zijn. Wanneer mogen we ons ergens mee bemoeien?
Ik stel vast dat het goddank daar bij gebleven is en ook haast niemand uit mijn omgeving verdere dramatische dingen overkomen zijn. Ik koester mijn geluk. Dat ik alweer een nieuwe laptop nodig had en mijn fiets gestolen werd in 2013, is van geen enkel wezenlijk belang.
Verder ga ik dus best gerust door het leven al blijft het een minder goed idee om de krant te lezen en het nieuws te volgen. Ik hou er zelden een goed gevoel aan over. Dichter bij huis ben ik verontrust over het fenomeen GAS-boete. Ik heb er zelf nog geen gekregen en verneem de ridicule vormen die deze sancties aannemen, ook maar gewoon in de media. Maar dat volstaat al om me soms ongemakkelijk te voelen als ik me buiten de deur begeef. Controle en regels, ik kan me daar ergens wel in vinden – ik berisp mijn buurman ook als ik hem zie sluikstorten – maar de deur naar willekeur staat wagenwijd open. Alle macht aan ambtenaren, die wars van een context mensen gaan straffen. Los van duidelijkheid ook, want ik heb geen idee wat er in mijn stad mag en in een andere niet. Brr.
Het zal mijn 2014 hopelijk in niet te grote mate bepalen, mag ik hopen. Ik wens iedereen wat ik mezelf wens, en dat is hetzelfde als vorig jaar: dat het leven niet te zwaar mag vallen en we overweg kunnen met wat ons pad kruist. Ik ben alvas van plan in het komend jaar mezelf eens te verrassen. Maar dat is voor later.
]]>
Ik put me niet meer uit in het samenstellen van een top 10. In willekeurige volgorde zijn dit alle films die dit jaar een release kregen die ik de moeite vond :
- Zero Dark Thirty
- Flight
- The Master
- Cloud Atlas
- Spring Breakers
- Alps
- Side Effects
- The Place Beyond the Pines
- Only God Forgives
- Stoker
- The Great Gatsby
- Star Trek Into Darkness
- World War Z
- Jeune & Jolie
- Trance
- Kapringen
- Mud
- Silver Linings Playbook
- Kid
- Io e Te
- Metro Manila
- Borgman
- Prisoners
- The East
- The Perks of Being a Wallflower
- The Sound of Belgium
- L’Inconnu du Lac
- Avant L’Hiver
- What Maise Knew
- Like Father, Like Son
- The Lunchbox
- Inside Llewyn Davis
- Don Jon
- Behind the Candelabra
- The Young and Prodigious T.S. Spivet
- Gravity
- Blancanieves
- La Grande Bellezza
- Captain Phillips
- The Secret Life of Walter Mitty
- The Best Offer
- A Touch of Sin
Ik heb echter ook héél wat steengoeie films gezien die nog geen release hebben of pas komend jaar verschijnen.
- All is Lost
- The Spectacular Now
- Harmony Lessons
- The Selfish Giant
- Kill Your Darlings
- The Girl
- Fruitvale Station
Tenslotte zag ik nog heel wat oudere films die ik zeker tot het beste reken van wat ik dit jaar zag.
- Passing Fancy (1933)
- Dark Passage (1947)
- Harvey (1950)
- Bonjour Tristesse (1958)
- One, Two, Three (1961)
- The Miracle Worker (1962)
- The Night of the Iguana (1964)
- Two for the Road (1967)
- McCabe & Mrs Miller (1971)
- Sleuth (1972)
- Norma Rae (1979)
- Polisse (2011)
- Holy Motors (2012)
- De ontmaagding van Eva van End (2012)
- The Angel’s Share (2012)
Rest u nog onder de neus te wrijven voor welke tv-series ik allemaal tijd vond: Homeland 1, Treme 1, The Simpsons 15, Borgen 1, Met Man en Macht, Salamander, The Killing 1 & 2, Dexter 3, 4 & 5, The Newsroom, Luck, How to Make it in America 2, American Horror Story 1 en Top of the Lake.
Dat zijn – en daarna mag u me gek verklaren – 37608 minuten fictie.
]]>
Terwijl ik met ongelooflijk genoegen de ene film na de andere bekijk en daarmee zowel een maand- als een jaarrecord zal breken, blijk ik met enige paniek vast te stellen dat ik dit jaar amper gelezen heb.
Ik ben het jaar gestart met drie ongelooflijk goeie boeken. De Halfbroer van Lars Saabye Christensen was een enorm genoegen dat me enkele maanden leestijd kostte vanwege zijn enorme omvang.
Vervolgens genoot ik van Massa van Joost Vandecasteele dat ik liet opvolgen door De Kunst van het Veldspel van de Amerikaan Chad Harbach, opnieuw een erg meeslepende en mooie geschreven tragische roman.
Ik ben het laatste jaar niet meer in de bibliotheek geweest. In de hoofdbib van Gent vind je maar zelden recente zaken want die zijn altijd uitgeleend. De minder recente werken zijn zo groot in aantal dat ik er amper weet aan te beginnen. Bovendien had ik altijd maar boetes want ik was altijd te laat met het terugbrengen. Dus sindsdien koop ik gewoon zelf boeken. Aangezien hier nu minstens vijf aantrekkelijke romans klaar liggen, is mijn leesachterstand dus niet te wijten aan een gebrek aan leesvoer.
Ik besloot me begin juli wat te herlanceren met De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, een typische zwarthumoristische Scandinavische vertelling van Jonas Jonasson. Ik smulde van de eerste helft van dit verrukkelijk geschreven verhaaltje met zijn leuke personages.
Toen werd het zomer. Ik ging naar Berlijn, zat op DOK, ging naar het zomerfilmcollege en was niet vaak thuis. Ik trachtte nu en dan een bladzijde te vorderen in De 100-jarige… maar ik moest soms zelf enkele pagina’s terugkeren omdat ik niet meer wist wat er eigenlijk gebeurd was. En toen besloot ik het maar op te geven. Ik vond het plots vergezocht, eentonig, artificieel en inhoudsloos en legde het aan de kant. Zo was ik drie maand verder zonder ook maar een boek aan mijn leeslijst toegevoegd te hebben. De tijd voor het slapengaan, de treinritten en toiletbezoek vulde ik met tijdschriften en kranten.
De zomer is al even voorbij, DOK sloot af, het schooljaar startte op, het filmfestival ging voorbij en zo kwam er eindelijk weer een moment dat ik vond aan een boek toe te zijn en daarnaast even een tussenstand op te maken. En ziehier dus mijn schokkende vaststelling: drie boeken.
Met veel zin werp ik me dus op die mooie stapel boeken, maar meer dan een bladzijde of twee per avond blijkt me momenteel niet te lukken. Als een bejaarde die zijn uurtjes dutten nodig heeft, sukkel ik telkens heel snel in slaap. Voor die enkele lezers die hier zo nu en dan een leestip kwamen halen: duim mee op beterschap dus!
]]>
Gezien ik de laatste vijf jaar telkens het filmfestival van Gent afsloot met een terugblik-blogstukje (wat een tongbreker, serieus zeg), vond ik dat ik me daar ook dit jaar maar even aan moest houden. Nochtans vermoed ik minder indringende herinneringen te zullen hebben dan voorgaande jaren, maar ik lees zelf altijd wel graag eens terug hoe het er aan toe ging dus hier gaan we:
Ik zag dit festival 35 films. Dat is geen record maar wel meer dan de laatste jaren. Dat komt enerzijds omdat mijn programma net iets voller zat. Ik koos dit keer geen vrije dag, maar dat was eerder toeval. Ik heb al lang geleerd niet zomaar veel films te willen zien maar gewoon een interessant schema op te stellen. Zitten daar weinig gaten in, dan wordt dat hevig. Is het schema niet helemaal gevuld, dan kan dat voordelen hebben. Om maar te zeggen: ik streef er niet naar een zo vol mogelijk programma te hebben maar probeer wel elke dag minstens 2 films te zien.
Meest opvallend aan de programmatie vond ik de zwakke weekends. De voorstellingen op zaterdag en zondag zijn enorm succesvol, vaak zelfs uitverkocht en toch zetten de programmatoren niet eens zoveel, laat staan interessante films op die dagen. Zo was er een zondag waarop in de voormiddag simpelweg niets vertoond werd en in de namiddag het programma vooral uit klassiekers bestond. Terwijl je de filmliefhebber die nu eenmaal enkel in het weekend kan, toch meer plezier zou doen met nieuwe films.
Ik vond de openingsfilm, The Fifth Estate, opvallend zwak. Was dit een toegeving aan allerlei bevriende filmmakers (het is een Belgische co-productie)? Deze film werd duidelijk niet gekozen omwille van zijn cinemakwaliteiten. En dat terwijl je wel het fenomenale Gravity op je programma staan hebt.
Een tweede reden waarom ik meer films zag, was dat de festivalbar een enorme tegenvaller was. Doorheen de jaren is het festivalcafé een ankerpunt geworden, gekenmerkt door zijn wat wiebelende plankenvloeren, de occasionele tocht en vaak originele inrichting. Gezellig in groep of op je eentje en een ideale plek om af te spreken of iemand op te wachten.
Dit jaar was er geen plaats in de tent – daar moeten recepties gegeven worden om sponsors te bedanken of zo – en dus mocht de festivalganger uitwijken naar Bloomingdales, de bar onder Kinepolis die voor de gelegenheid Marty’s Bar werd genoemd. Gewoonlijk mijd ik dit ongezellige café, waar meestal het soort volk verpoost dat ik eerder associeer met een dancing in de provincie. Het was dus met enige tegenzin, maar ook optimisme, dat ik in gezelschap dit oord betrad.
Ik waande me al heel snel in Carré en daarmee bedoel ik geenszins het theater in Amsterdam. Het grootste deel van het publiek bestond me dunkt niet uit festivalgangers (wat mag hoor, maar waar zijn dan de festivalbezoekers allemaal heen?), wel uit opgetutte jongens en meisjes die kwamen partyen. Zithoekjes genoeg gelukkig voor de iets volwassener cinefiel die nog wat wou napraten, maar gezellig kon je die dan ook weer niet noemen want wie in de rust wou zitten, zat ook in de kou. Rust bleek overigens relatief want de volumeknop leek een eigen wil te hebben en wilde ons kost wat kost horendol maken.
Vriendelijk was men er dan weer wel, dat mag ook gezegd. Maar meer dan een keer of twee heb ik het niet opgebracht Marty’s Bar als afsluitpunt te kiezen. Het was ook wel zo dat ik mijn avonden vaker afsloot met een voorstelling in een andere bioscoop, waardoor ik dus toch niet in Kinepolis was, maar spijtig vond ik dat alleszins niet. Mijn nachtrust heeft daar de voordelen van ondervonden.
Er was dus iets minder cinefiele cohesie, al ben ik al mijn filmvrienden vaak genoeg tegengekomen om me deel van een gemeenschap te voelen. Het heeft ook wel iets, al die individuele schema’s die elkaar dan telkens toevallig kruisen, of net niet. En allemaal vertellen we wat we zagen en geven we tips of afraders.
Want de essentie bestond uit het kijken naar films natuurlijk. Ik genoot met volle teugen, ook al combineer ik dit ieder jaar natuurlijk met een voltijdse en veeleisende job. Maar twaalf dagen na elkaar filmkijken, het brengt je toch enigszins in een roes, een soort tweede bewustzijn dan enkel uit fictie bestaat, uit levens van personages en figuren. Echt heerlijk.
22 van de 35 films waren Amerikaans en dat is niet van mijn gewoonte. Maar blijkbaar wisten die zeker dit jaar mijn nieuwsgierigheid het meest te prikkelen. Daarnaast zag ik 4 Franse, 2 Poolse, 1 Spaanse, 1 Indische, 1 Belgische, 1 Britse, 1 Ierse en 1 Japanse film. Voor het eerst zag ik ook een film uit Kazachstan.
Geen Scandinavische producties dus, dat moet zowat voor het eerst zijn. Er stonden er dan ook amper op het programma. Ik vond ook opvallend veel films goed. Twee bevielen met echt niet (Much ado About Nothing en Carrie) en 4 vond ik matig. Alle andere wist ik in min of meerdere mate te appreciëren, waardoor ik hier dus maar geen lijstje publiceer. Een aantal van de films recenseerde ik hier en daar kan je al wat mee.
Kenmerkend voor deze festivaleditie was de komst van Joseph Gordon-Levitt. Een fijne acteur, maar ik streef er nooit naar bekende gasten in mijn programma te passen. Het was echter puur toeval dat ik even vrij had en ter plekke was toen de acteur uit 3rd Rock from the Sun, Looper, Inception, Premium Rush, The Dark Knight Rises, 50/50, Lincoln en Don Jon aankwam. Ik heb me dus volkomen laten meeslepen in een (beperkte) hysterie en stond breed glimlachend te fotograferen toen hij de rode loper betrad. Hollywoodsterren zie je nu eenmaal niet elke dag en het was al sinds deze dame geleden dat ik nog een steracteur van dichtbij gezien heb.
De slaap is intussen ingehaald, de films gerecenseerd, de lijstjes aangevuld en mijn rapporten geschreven. Ik heb het Filmfest (in tegenstelling tot vorig jaar) met veel energie uitgezeten en binnen een paar weken kijk ik zeker en vast alweer uit naar de 41 editie.
terugblik 2012 – terugblik 2011 – terugblik 2010 – terugblik 2009
]]>
Op DOK heb ik de voorbije maanden met heel veel plezier gewerkt – een uitgebreidere beschouwing volgt nog – maar nu en dan was het ook wel eens op de tanden bijten bij omgaan met een heel divers publliek. De bezoekers een goeie service bieden, maakte voor mij deel uit van de aantrekkingskracht van het werk, maar na laatst opnieuw enkele uren de kassa bemand te hebben, raakte ik stilaan horendol van een aantal steeds weerkerende vragen.
Een drankkaart kon je op DOK verkrijgen voor 5 euro. De prijs stond daarvoor duidelijk aangegeven en om de argeloze, al dan niet nieuwe bezoeker niet te overladen met info, was dat dan ook de enige zichtbare boodschap aan onze kassa. Vragen als ‘hoe lang is deze kaart geldig’ en ‘kan je daar ook mee eten?’, vond ik aannemelijk en beantwoordde ik met een glimlach. Maar dan had je dit soort vragen:
‘Hoe werkt dat hier?’
(U geeft me geld en ik geef u een drankkaart)
‘Hoe marcheert dat met zo’n drankkaart?’
(Dat marcheert goed)
‘Moet ik hier zijn voor bonnekes?’
(Neen, hier verkopen wij frieten, bloembollen en kandelaars, maar dat paste niet op het bord, dus hebben we er ‘bonnen’ op gezet)
‘Hoeveel bonnetjes zitten er op een drankkaart?’
(Wat maakt dat uit als u weet dat de waarde 5 euro is?)
‘Kan ik daar dan 5 consumpties mee kopen?’
(5 gratis watertjes van de kraan misschien maar verder willen we wel iéts verdienen.)
‘Hoeveel kan ik daar mee kopen?’
(Dat weet ik niet. Misschien om 5 euro?)
‘Kan ik ook een kaart van 3.5 euro kopen?’
(Nee want dan zou er wel staan ‘Drankkaart 3.5 euro’)
‘Maar ik heb maar om 4 euro nodig. Wat moet ik doen met de bonnetjes die ik dan over heb?’
(Opeten? Op het strand begraven? In uw koffie dippen? Aan mij geven?)
En de hoofdvogel:
‘Hoeveel kost zo’n kaart van 5 euro?’
(107 euro en 21 cent.)
]]>
Suki: een naam die aan Japanse tuinen met klaterende fonteinen en sierlijke vissen doet denken, aan roze suikerspinnen en hartvormige ballonnen, aan wind die op een warme zomerdag je nek kust en aan sterrenstof die de komst van een fee aankondigt. De ultieme bijdrage van Arne en Leen om daar in Antwerpen die verzuring tegen te gaan. Het is trouwens hun tweede wolkje, Lou wacht haar zusje ongetwijfeld met open armen op. Gefeliciteerd!
]]>
Met een knal ter wereld gekomen blijkbaar … Fons! Flore en Bart zullen hun handen wel even vol hebben met hun nieuwe aanwinst. Broertje Mil zal de aandacht wel leren delen, maar blijkt nu al een fijne grote broer. Fons laat zich intussen graag horen, zo blijkt maar volgens papa is er helemaal achteraan den hof nog een plekje waar je het net niet hoort…
Gigantisch veel gelukwensen dus voor deze familie vol pittige karakters!
]]>Je kunt op diverse plaatsen in de stad een fiets huren. Voor een volledige dag betaal je meestal rond de 10 euro. Wij vonden er eentje bij wie het net iets goedkoper was – 8 euro. Sommige hotels verhuren zelf fietsen aan hun gasten.
Berlijn heeft over het algemeen vrij brede straten, alleen is er op veel plekken geen fietspad. Daardoor voel je je op een aantal grote wegen minder veilig. Dan ben je snel geneigd je toevlucht te zoeken tot het voetpad. Dat blijkt zelfs redelijk gebruikelijk, zelfs al is het wellicht niet reglementair. Maar de voetpaden zijn vaak breed en bestaan soms uit twee verschillende soorten betegeling, waardoor je de indruk krijgt dat men er toch een fietspad mee suggereert. Dat is ons eigenlijk niet duidelijk geworden.
Er zijn wel erg veel verkeerslichten in Berlijn en dan vloek je nu en dan wel eens. Op sommige kruispunten steek je als fietser best over met de voetgangers, omdat bv. links afslaan op een straat die uit meerdere rijvakken bestaat, te gevaarlijk lijkt. Dat wil wel zeggen dat je twee keer moet oversteken en dus twee keer wachten op groen – en dat kon soms lang duren. In Brussel werden deze week trouwens twee proefopstellingen gedaan met een gedeeld verkeerslicht. Het zou wel eens kunnen dat zoiets effectief blijkt en in diverse grote steden kan toegepast worden.
De meeste fietsenrekken in Berlijn bestaan gewoon uit een ijzeren baar. Daardoor zien die stallingen er vrij chaotisch uit, maar het betekent wel dat er meer dan één fiets aan zo’n baar kan, in plaats van één zoals bij ons. Een sterk fietsslot hadden we bij de verhuurder gratis gekregen.
Na een poosje leerden we dat we soms beter parallelle wegen namen om ergens te komen. Die waren vaak wat rustiger dan de hoofdstraten. Maar Berlijn is New York natuurlijk niet, dus zo’n parallelle weg brengt je soms niet exact waar je moet zijn.
Berlijn heeft ook een gigantisch en prachtig park (Tiergarten), waar een zestal straten doorloopt. In dat park fietsen garandeert je complete rust. Het is er stil en duizelingwekkend groen en je kunt er makkelijk om de voetgangers heen fietsen. Na een avondritje had ik wel enkele serieuze insectenbeten opgelopen. Die grote straten, die het park echt doorkruisen, kun je heel makkelijk oversteken, maar voor wie dat niet wil riskeren, is het rond punt in het midden wel makkelijk. Ik ben alleszins diverse keren opnieuw in het park gaan fietsen – het lag achter ons hotel – want dit was een echte oase van rust. Hoewel het een park is, krijg je erg vaak een bosgevoel, zij het dat je wel op mooi aangelegde paadjes fietst. Maar bepaalde delen werden bewust wat minder onderhouden. We zagen trouwens zowel een vos als konijnen.
De Duitse hoofdstad is sowieso al enorm groen. Er zijn heel veel parkjes en bomen en het is indrukwekkend hoe zo’n immense stad zich kan permitteren om midden in de stad zoveel ruimte vrij te laten – niet alleen parken maar ook ligweides, groene zones, strandjes, immense speelterreinen, … Wat ons ook opviel was dat de stad in heel wat straten ontzettend lekker rook. Ik herken die geur wel vaag – een welriekende boom, vermoed ik – maar hier was die geur zo continu en sterk aanwezig, ook in straten zonder bomen, dat we het haast mysterieus begonnen te vinden. Die enkele Berlijners die we daar naar durfden vragen, hadden geen idee wat we bedoelden. Toch blijf ik Berlijn nu sterk associëren met deze bloesemgeur.
De fiets bleek ook handig om snel wat verderop gelegen plekken in Berlijn te bezoeken. De metro en tram hebben we dus nooit gebruikt. Vanuit ons hotel was de halte daarvoor ook wat ver. Berlijn is wel een grote stad, maar met de fiets zijn de negen meest centrale wijken zeer makkelijk te bereiken. Wie vanuit het centrum verder wil, bv. naar Potsdam, moet bereid zijn daarvoor al een flink eind af te leggen.
En wie zelf niet zo’n moeite wil doen, kan altijd een velotaxi nemen!
]]>Wel had ik al sinds ik terug was van vakantie geen krant meer aangetroffen voor mijn deur. Mijn buurman bespaart zich immers een afdaling naar de kelder met afvalcontainers door zijn krant na het lezen voor mijn deur te leggen. Ik lees op die manier gratis de krant en tegelijk zorgt het voor betrokkenheid.
Dat die krant ontbrak was echter niet zo vreemd. Ik had voor de buurman immers een briefje achtergelaten met de vermelding dat ik op reis was. Het leek me aannemelijk dat hij nog niet gemerkt had dat ik al vijf dagen terug was. Ik meende intussen ook wel al een paar keer zijn deur te horen dichtslaan hebben. Of niet? De buurvrouw – Alice – meende vanop haar balkon – dat bijna grenst aan het zijne – een vreemd geluid gehoord te hebben, maar ze kon moeilijk bepalen waar het vandaan kwam. Misschien waren het straatkatten. Of hippies of zo.
Alice had ook al eens aangebeld, maar kreeg geen gehoor. Soms hoorde onze buurman de bel niet (of sliep hij een roes uit), dus ook dat was weinigzeggend. Ze had het ook over dochters waarvan ze geen telefoonnummer had. Ik was er niet van op de hoogte dat mijn buurman familie had – die kwamen alleszins zelden langs dan, maar zoiets kan gebeuren. Terwijl mijn buurvrouw en ik dit gesprek hadden, konden we door de deur van de buurman de televisie van jetje horen geven, zoals gewoonlijk, want hij hoort niet zo perfect meer. Eigenlijk leek deze situatie me niet opvallend abnormaal. We hadden het nog wat over ditjes en datjes en lieten het daarbij.
De volgende ochtend vroeg ik me echter af waar onze nuchterheid gezeten had. Deze situatie leek toch eigenlijk wat onrustwekkend. Ik sprong uit bed en haastte me naar beneden. In de inkomhal keek ik in de brievenbus van de buurman. Die zat vol! Ik kon er de ene krant na de andere uithalen. De oudste dateerde al van vrijdag. Vijf dagen geleden. De buurvrouw had intussen blijkbaar ook niet stilgezeten. Ze had het OCMW gebeld om te informeren naar de familie van onze buurman, maar dat bleek niet gebruikelijk te zijn. Ze had de buurman zelf ook opgebeld, maar hoorde enkel zijn antwoordapparaat. Met haar ongerustheid kon ze nergens terecht. De onderbuurvrouw had haar immers opgedragen zich nergens mee te bemoeien, want onze zonderlinge buurman was nu eenmaal een zonderling, vond ze.
Het scenario om iemand te waarschuwen sloop toen al door de diverse hoofden natuurlijk, maar de onderbuurvrouw had op Alice ingesproken: dat was huisvredebreuk! Ik vond dat nonsens. Ik was niet van plan mijn buurman zijn deur in te gaan beuken toch? Met de telefoon in de hand vroeg ik Alice wat voor buren we zouden blijken te zijn als de situatie echt ernstig was en we niets hadden ondernomen. Ik wilde het noodnummer al intoetsen, hoewel ik in mijn achterhoofd tegenargumenten voelde werken. Naar de politie bellen heeft altijd iets aanstellerigs, vind ik, alsof je iets verzint. Of de kostbare tijd van de politie verspilt. En vooral: wat als onze buurman plots de deur opende en ons chagrijnig vroeg waarover we zo luid stonden te converseren voor zijn deur? Dan maakten we ons zelfs misschien wat belachelijk? Voor de zekerheid belde ik nog snel enkele keren aan en klopte luid op zijn deur, maar er kwam geen reactie.
Ik belde dus 101, geruggesteund door Alice, want als we ons vergisten, deden we dat tenminste samen. Ik deed mijn verhaal en kreeg te horen dat de politie zou langskomen. Dat gebeurde een klein uurtje later. Drie vriendelijke agenten, waarvan de oudste zodanig Gents sprak dat ik hem met moeite begreep, vonden onze ongerustheid normaal en meenden dat we er goed aan gedaan hadden te bellen. Ze namen mijn verklaring af, terwijl we wachtten op de dochter, die door de politie gewaarschuwd was.
De dochter kwam aan en het was vreemd te ontdekken dat de man naast wie ik al bijna 7 jaar woon, kinderen had. Ze was niet in paniek, leek eerder wat geërgerd dat haar koppige vader misschien wel weer in de problemen zat. Ze bleek echter geen sleutel gevonden te hebben. De politie wilde niet meteen een slotenmaker bellen – dat zou te duur zijn – maar trachtte eerst met het povere alaam dat ik bezat, de deur te openen. Dat bleek geen succes en er werd een agent met geschikt materieel gebeld.
We stonden in het kleine halletje op elkaar geperst – drie agenten, de dochter, Alice en ik – en ik zette ramen en deuren van mijn appartement open om wat afkoeling te verkrijgen. Ik bood iedereen ook iets te drinken aan. Alice werd toen opgehaald door haar kinderen voor een familie-uitstap en sprak af me later die dag te bellen om de afloop te kennen.
Toen de deur eindelijk open was, gaf dat een vreemde sensatie. Mogelijk was mijn buurman dood. Ik had met de dochter wat over hem gepraat en betrapte mezelf er op dat ik moeite deed om in de tegenwoordige tijd te spreken. De agenten gingen eerst alleen naar binnen – ik ging er sowieso van uit dat ik niet naar binnen mocht – of wou – en de dochter wachtte naast mij. Dit was een heel andere soort spanning dan in de films. Misschien zou ze zo dadelijk te horen krijgen dat haar vader overleden was. We hoorden de agenten binnen praten maar het duurde wel een minuut of drie vooraleer ze naar buiten kwamen. ‘Hij is in leven maar slechts half bij bewustzijn. Hij is gevallen en ligt naast zijn bed.’ klonk het.
Terwijl de dochter naar binnen snelde, dacht ik even na over deze woorden. Het was al bij al geen slecht nieuws en het lot van de buurman ging me wel ter harte, maar toen pas kwam het besef dat het zwartgallige scenario dat Alice en ik besproken hadden, waar was. Men vermoedt altijd het ergste in de hoop dat de realiteit dan meevalt, maar dit was toch een wat beangstigend gelijk. Terwijl ik in het dagelijks leven zo graag gelijk heb.
Meteen daarna dacht ik aan de warmte van de voorbije dagen. Aan de televisie die al tijd keihard stond te kwelen. Aan het feit dat gedurende de dagen dat ik ontspannen zat te barbecueën met familie, op DOK aan het werk was, in de bioscoop zat, op café zat en tientallen keren voorbij de deur van de buurman liep, hij gewond op de grond lag. Te wachten, te denken, pijn te hebben?
Er kwamen een ziekenwagen – zonder sirene, dus dat was een goed teken – en een MUG ter plekke. De oudste agent zei me dat het er toch niet zo goed uitzag. Terwijl men hem binnen de eerste zorgen toediende, ontstond er buiten een gigantische fille. Enkele dagen geleden had ik er hier nog over dat hulpdiensten zo vaak in de weg staan. De ambulancier had de auto gerust een meter meer aan de kant kunnen zetten… Ik vroeg me af of ik de agenten – die allemaal binnen waren – moest waarschuwen, maar ik werd stilaan een karikatuur van een bemoeierige buurman. Gelukkig was de politie alert en werd het nodige gedaan om het verkeer opnieuw vlot te laten verlopen.
Toen kwam ook de brandweer aan. De buurman kon niet via de lift naar de ziekenwagen gebracht worden. Een brandweerlift diende hem van de derde verdieping te halen. Toen kreeg ik hem ook voor het eerst te zien. Dat was best schokkend. Onder het zuurstofmasker leek hij wel 100 jaar oud. Iedereen vertrok. De dochter bedankte me hartelijk.
Die avond belde Alice en ik deed haar het hele verhaal. Ze was uiteraard enorm opgelucht, maar ik nam hetzelfde waar als bij mezelf: die opluchting heeft niet alleen met de redding te maken, maar ook met onszelf: we hebben een risico genomen – want zo ziet een typische Belg dat toch wat – om ons ergens mee te bemoeien, om onszelf voor paal te zetten (want terwijl we in dat halletje stonden, bleef ik verwachten dat de buurman elk moment uit de lift zou stappen met een zakje bierblikjes in zijn hand en een vraagteken op zijn gezicht), en daar hebben we goed aan gedaan. Ze bedankte me ook: zonder mijn daadkracht was ze zelf blijven aarzelen, dacht ze. En was het misschien erger afgelopen. Ik vond het enerzijds heel normaal dat we alarm geslagen hadden, maar anderzijds heb ik voor het eerst zo’n clichématige schroom gevoeld die voor veel mensen een hindernis betekent om onrecht of vermoedens te uiten in situaties waar je op het eerste zicht ‘geen zaken mee hebt’.
De buurman is herstellende, maar is zeer verzwakt en moet alvast een poos op intensieve zorgen verblijven.
update 20/8: de buurman is vannacht overleden aan de gevolgen van een maagbloeding en levercirose.
]]>Twee maand oud ben je al en er werd hier op het Verantwoord Tijdverlies nog met geen woord gerept over jouw bestaan op Aarde. Ik had nochtans, net zoals ik steeds welgemeend mijn vrienden feliciteer als ze papa en mama worden, die 12e mei mijn vreugde om jouw komst al blogsgewijs kunnen uiten en daarbij jouw ouders gelukwensen.
Dat heb ik niet gedaan. Het eerste kindje van mijn broer verdient een meer persoonlijke boodschap, vond ik. Dus stelde ik mijn mooie woorden wat uit tot ik een duidelijker beeld had van wie je was en wat dat met me deed.
Nu mijn vakantie volop bezig is en ik je intussen vijf keer gezien heb, dacht ik wel te kunnen weergeven hoe ik de zaken zie en aanvoel. Maar wat is dat bijzonder: jij lijkt elke keer weer iemand anders. Je bent Charlie, iedere keer opnieuw, maar telkens een andere dan de keer ervoor. Je bent mijn meest kersverse familielid maar toch slaag ik er niet een mentaal beeld van je op te roepen. Je bent voorlopig nog altijd meer een idee dan een daadwerkelijk neefje.
Dat komt natuurlijk in de eerste plaats omdat je zo razendsnel groeit en verandert. Maar het is ook zo dat onze relatie op dit moment oppervlakkig en uiteraard volkomen éénzijdig is. Ik ken je nog niet en jij kent mij al helemaal niet. De karakterindrukken tot op dit moment doen me jou beschrijven als rustig, knorrig, vastberaden en doortastend. Je kijkt vaak wat bedenkelijk, je geeft doorgaans geen kik, tot een situatie volgens jou anders moet en je wil al meer dan je kan.
Dat is voorlopig maar een schets hé, Charlie Joe. Wie weet blijk je verlegen, beïnvloedbaar, grappig, inventief of veeleisend. Dat zien we dan nog wel. Intussen symboliseer je wel de enorme kracht van geluk die onze familie in zijn greep heeft. Je bent het nieuwste en stevigste model buitenboordmotor aan de familiale sloep. We varen niet, we zweven. Allemaal, tot jouw 90-jarige overgrootmoeder Madeleine toe – al vindt ze jouw naam toch niet je dat.
Je bent geboren op een zondagnamiddag. Tegen de avond vernam ik het nieuws, aan het begin van een nieuwe en drukke werkweek. Je was zo ongeveer op tijd, al hoopte je overgrootvader Willy misschien dat je drie dagen later ter wereld zou gekomen zijn, waardoor jullie samen jarig zouden zijn en hij daar dan mee kon uitpakken alsof het zijn prestatie was. Maar het feit dat je enkele dagen te vroeg was, zorgde wel dat je op Moederdag werd geboren. Kan het mooier?
Ik kwam er pas dinsdag aan toe jou te komen aanschouwen. Charlie bleek ook wel Charlie Joe te zijn, wat ik nog tien keer fantastischer vond want ik hou van samengestelde namen. De trein naar Jette op, te voet naar het ziekenhuis wat net een tikkeltje verder was dan ik dacht. De halve familie was er toevallig ook. We dronken cider – die jouw oma/moeke/mémé/grootmoeder/bomma – we weten nog niet wat het gaat worden – Gerda steeds meebrengt uit Frankrijk en die ik helemaal niet graag drink. We bewonderden het kaartje en de confituur. Een mooie symbolische geste van je papa, dat hij je officieuze grootouders Erwin en Marie-Leen via de jambereidingen betrokken had bij de feestelijkheden.
En we bewonderden jou, dat piepkleine ventje dat ik met moeite vast kon nemen omdat de baby’s die ik doorgaans in de armen gedrukt krijg, al net iets voller en steviger zijn. We spraken vol lof over je glunderende papa en je tot rust komende mama die haar blijdschap uitsprak over de attenties en geschenkjes, en dan vooral over de zelfgemaakte stukken van je andere overgrootmoeder Marie-Louise: een deken, sokjes, een mutsje.
Nadat we jou samen wat gevierd hadden en zo lang mogelijk in het ziekenhuis bleven, namen we afscheid van jullie nieuwe gezin. De rest van de familie was aan eten toe – dat zijn ze altijd eigenlijk – en dus trok ik met de twee overgrootouders, je oma/moeke/mémé/grootmoeder/bomma, tante Ria en Nonkel Johan naar een restaurant in Jette waar we volgens jouw papa zeker de ribbetjes dienden uit te proberen. Over wie zich daar niet goed gedragen heeft en wat er allemaal misliep, hoef ik het hier en nu niet te hebben. Als je dit ooit kan lezen en begrijpen moet je me er maar eens naar vragen, voor zover ik dat dan nog zal weten.
De rest van de week draaide voor mezelf om routineuze beslommeringen, al genoot ik van de aandacht die ook ik als nonkel kreeg van vrienden en collega’s. Ik denk dat veel mensen die me goed kennen, wisten dat ik jouw komst erg belangrijk vond. Ik dacht na over je geboortegeschenkjes en vroeg me af wanneer ik je weer zou zien. In diezelfde week betrad ik het kantoor van het hoofd onderwijs van de stad Gent om er succesvol te solliciteren voor directeur-ad-interim. Voor jou van geen belang, maar voor mij vooral het tweede leuke nieuws van die week, dat ik nu altijd zal blijven associëren met jou.
En nu zijn we dus twee maanden verder. Je papa en mama krijgen niets dan lof over hoe ze met jou omgaan. Ze willen je allebei alsmaar knuffelen en zoenen en denken aan alles. Met jou ergens op bezoek gaan, blijkt gepaard te moeten gaan met een hele verhuizing, maar desondanks blijven ze al die familieleden maar verblijden met visites. Het is wennen jouw papa te zien in een zo’n grote verantwoordelijke rol, maar het lijkt anderzijds echt vanzelfsprekend te gebeuren. 
En er zijn dus al zoveel mensen die om je geven. Je ziet je drie grootouders alsmaar glunderen. Je oma/moeke/mémé/grootmoeder/bomma vindt zichzelf een cliché omdat ze jouw beeltenis op haar smartphone gezet heeft. Je peter Johan – mijn papa – is trots maar lijkt ook nog op zoek te zijn naar zijn relatie met jou. In zijn kielzog nog een heleboel mensen die jou nu al koesteren: Marie-Leen, Deborah, Dimitri, Prosper, Angèle en natuurlijk Ferre, één van je meest voor de hand liggende speelkameraadjes voor de komende jaren. Toen hij jou de eerste keer zag, leek hij wat bang en wees je zelfs radicaal af. Maar eens gewend aan de situatie, haalde hij zijn meest zorgzame kant boven. Hem naar jou zien kijken, levert een dubbele verwondering op.
Je overgrootmoeder Madeleine wordt deze week 90 en er is natuurlijk wel een reële kans dat je haar niet meer echt zal leren kennen. Ze is weliswaar nog kerngezond maar blijft hardnekkig het tegenovergestelde beweren. Ze koopt cadeautjes voor jou en schept tegen iedereen op wat voor een formidabele papa haar Jensken – haar jongste en favoriete kleinzoon – wel is. Je mama en papa doen ook bewonderenswaardige moeite om haar te betrekken bij jouw aanwezigheid hier.
Ik kijk er nu naar uit om jou te zien opgroeien, Charlie Joe. Of Charlie. Wie je ook wat zal noemen, ik blijf met plezier de dubbele voornaam gebruiken. Voor iedereen die een kind krijgt, zal een voornaam wel gewikt of gewogen worden, maar ik was zo in mijn nopjes met het belang dat je ouders hechtten aan een naam en vooral dat ze in een richting leken te denken die verder ging dan Lukas, Milan of Ethan. Dat ze nadachten over alle mogelijk associaties met je naam. Dat er een link was met het verleden – je papa was altijd al een fan van Snoopy en Charlie Brown.
Toen ik je eergisteren zag, kon ik je niet knuffelen. Die stevige verkoudheid moest ik voor mezelf houden. Ik keek dus vanop een afstand alweer verwonderd naar wat je deed en probeerde me voor te stellen wat je dacht. Ik kijk er naar uit daar nog op veel momenten mee bezig te mogen zijn. Ik ben benieuwd wie je zal worden. Welkom, Charlie Joe!
]]>
