Zwartglanzende asfaltstraten in de regen met waterplassen die opspatten door voorbijrijdende auto’s. Hij keek er naar, vensterstaren naar de buitenwereld en voelde zich nutteloos. Anoniem blijven rondzwerven in het leven, voortkabbelen in de grijsheid, in de stilte van het bestaan. Hij vreesde de stilte niet, hield zelfs van de stilte.
“Ik weet het mijn lief dat ik de liefde niet ken. Ik weet het mijn lief dat ik je nog niet ken en misschien nooit zal leren kennen. Muziek als troost dwarrelt doorheen mijn lichaam en beroert mijn zintuigen, streelzachte klanken die mij koude rillingen geven. Flarden herinneringen, voorbij momenten, het verleden in een mooie verpakking. Afgebrokkelde romantiek, de liefde is ver te zoeken en ik wil het niet langer vinden”.
Hij had al lang geen liefdesverhaal meer geschreven en wist helemaal de woorden niet meer te vinden. De tijd had het hem verleerd. Sabberende, miezerregen brachten troost in de melancholie van het ouder wordende leven. Het decor waar hij naar keek was nochtans een romantisch plaatje voor wie het wou zien. De ochtendnevel legde een laagje boven het landschap en boven de nevel zag je de zachte contouren van de kerkspits met daarnaast de prachtige gloeiende volle maan. Het waren melancholische overpeinzingen in een ouderwets kleedje. Hij verlangde naar de romance van het leven al beweerde hij van niet. Met zijn armen rondom je heen en een zachte kus in je nek en fluisteren in je oor wat alleen voor jou bestemd is.
De kalenderblaadjes vielen als herfstbladeren in de wind, de dagen wapperden weg en werden ongrijpbaar, kwamen nooit meer terug. Hij stond er altijd verbaasd naar te kijken naar al die ongrijpbare tijd die nooit meer terug kwam. Er lag terug een voorbij moment voor hem op tafel die morgen. Voor altijd weg, voor altijd voorbij in zijn leven. Een herinnering, een fait divers in het dagelijkse bestaan. In zijn hoofd zaten ook kalenderblaadjes. Verdwaalde gedachten met flarden muziek op de achtergrond die je emoties bezorgden, blijdschap en verdriet, zomaar niet te stoppen, zonder verklaring.
Hij dwaalde verder in de broeihaarden van zijn wollig hoofd vol onuitgevoerde dromen en plannen. Als in een kamer vol ongelezen boeken waar je verlangend naar zit te kijken en uiteindelijk enkel miljoenen lettertjes ziet zonder samenhang. Zijn onschuldige leefwereld bestond niet meer, het kind in hem was voorgoed gestorven. Hij wou zwerven en ergens een thuis vinden en thuis komen maar zette nooit een stap buiten het huis. Heimwee hebben naar iets van vroeger maar het niet goed meer weten wat het was. Zijn ogen werden vochtig als altijd wanneer de weemoed tevoorschijn kwam.
Soms zag je een man dwalen, kuieren, slenteren in de regen met een fototoestel beschermd tegen de nattigheid onder zijn regenjas. Hij zag wat anderen niet opmerkten of er geen aandacht aan schonken. Hij fotografeerde de kleurrijke reflecties van de regenwereld in waterplassen en reflecterende asfalt. Hij vond het fijn om de regen te horen tikken tegen zijn regenjaskap. Het gaf hem een soort beschermd gevoel en ook een rustgevend gevoel door het monotoon geluid. Het waren die heel kleine dingetjes die wat blijdschap gaf in zijn rusteloze ziel. Een paar uurtjes maar want dan sloeg de onrust weer toe en kwamen weer angstgevoelens naar boven dat er iets mis zou kunnen gaan. Als je niets beleefde dan was wandelen in de regen al een avontuur, als je nergens heen ging dan was je verplicht om te dromen en te dolen in je fantasie.
Hij dronk witte martini en schrokte chips naar binnen, hij las zijn boeken en waande zich één met de figuren van het verhaal. Eventjes weg van grijze werkelijkheid. Hij bekeek honderden foto’s in zijn talrijke fotoboeken en op het internet en fantaseerde dat hij dat ook kon, dat hij daar ook op die plek was, dat hij ook een fotograaf was. Een man zonder plannen die een einddoel wou hebben. Een man zonder plannen zonder doel dat was hij al. Hij had enkel de plicht om te doen wat hij moest doen, zonder excuses, zonder uitvluchten, hij had nog altijd werk en dat werk zou hij zo goed mogelijk doen. Een ongenietbare man vol verplichtingen. Hij genoot van al die mooie foto’s, een boeiende visuele wereld waar hij een beetje jaloers naar zat te kijken omdat hij nooit zulke foto’s zou maken.
De mens in hem was gestopt met zich te ontwikkelen, er kwamen geen externe prikkels meer naar binnen en het enthousiasme van de jeugd bestond niet meer. Hij zag de schoonheid van de wereld niet langer meer door de lens van zijn fototoestel en had het gevoel dat hij het allemaal al gezien had. En weer voelde hij tristesse in zijn diepste vezels omdat de passie van zijn fotografie aan het verdwijnen was. En omdat er niets in de plaats gekomen was, enkel leegte en verveling. Het was de angst om niet meer mee te kunnen met de huidige fotografen. Het gevoel dat hij het niet meer kon, dat de rest beter waren dan hem. Vol bewondering en een tikkeltje afgunstig staan kijken naar die mooie foto’s van anderen.
Hij zat aan zijn schrijftafel voor de venster die uitkeek op de reien waar sierlijke zwanen voorbij peddelden. Zijn laptop stond aan en een vaasje met tulpen stond er naast, een restje koffie in een wit kopje en verder niets. Hij schreef zijn verhalen, zijn bedenkingen, zijn opgesloten gedachten neer. Zijn frustraties, zijn kijk op de wereld, zijn beelden in zijn hoofd. Af en toe keek hij naar buiten en zag aan de overkant van het water toeristen die een koffer op wieltjes achter zich sleurden over de kasseikoppen. Hij tikte woordjes in de volstrekte stilte van zijn werkkamer waar enkel nog een lederen chesterfieldfauteuil stond met een bijzettafeltje. Het was zijn kloosterkluis die de rust moest geven om te kunnen schrijven, om die stoffige overvloedige chaos in zijn hoofd te kunnen ordenen. Hij moest hier zijn om het alleen-zijn en de eenzaamheid te verdrijven tussen de wereldbezoekers van deze mooie stad. Hij moest hier zijn om alleen te zijn met zichzelf in zijn klein schuiloord. Een rijhuisje met één slaapkamer en bijhorende badkamer, een living met keukentje en zijn werkkamer. Het was niet groot maar groot genoeg voor hem. Hier zat hij in zijn fantasiewereld.
“De camper rijdt door de weidse natuur in een gezapig tempo zodat je kan genieten van het uitzicht. Een fotografische roadtrip waar tijd geen belang speelt. Het einddoel heeft geen belang, het onderweg zijn wel. Een reis met als enige doel de afgelegde weg vast te leggen in beelden. Zijn compagnon de route, zijn eveneens fotograferende gezellin was mee. Samen reizen, liefde en leed delen. Je hebt genoeg aan elkaar als je alle dagen vreemde mensen ontmoet. Weet je mijn lief dat ik bang ben voor de liefde, de liefde die komt en soms weer gaat. De liefde is samen onderweg zijn naar onbekende bestemmingen. Ik wil je fotograferen als je rustig naakt ligt te slapen, je ogen toe, je gezicht totaal ontspannen als kinderlijke onschuld. Ik wil je schoonheid voor altijd vastleggen in tijdloos zwart-wit met dat glimlachje op je gezicht, met die kleine rimpeltjes, onvolmaakte volmaaktheid. Daarna kruip ik bij je en neem je vast en voel me gelukkig”.